Het zespaar schetsen in dit prenttafreel wil toonen, / Wat men van 't aanbegin des jaars komt by te woonen, / Tot aan het einde, en wat in elke maand geschiedt, / Gelyk ge, ô jeugd! hier in dit twaalftal maanden ziet
vermeld op object
Blad met 12 voorstellingen van de twaalf maanden van het jaar, met werkzaamheden of gebeurtenissen die bij de betreffende maand horen. Onder elke afbeelding een vierregelig vers. Genummerd rechtsboven: No. 196.