De kleermaker past een jonge vrouw een korset aan. Hij draagt een 'habit' met fluwelen kraag op een vest van tricot en kniebroek van fluweel. Gerimpelde jabot en manchetten. In de taille twee breloques. Kousen van grijze zijde en schoenen met vierkante gespen. De jonge vrouw draagt een korset van gele batist. Onderrok en witte ...