De leerling draagt een tulband van witte katoen, gewikkeld om een lusvormig gevlochten opengewerkte muts van bamboerepen. De jas is op zijn schouders vastgemaakt met twee knopen van schelp. In zijn linkerhand houdt hij een bidsnoer met witte jobstranen en groene kralen. Op de lessenaar voor hem ligt een exemplaar van de Kitab Takrib.