Voorzijde: dichter met dichtrol in zijn hand zit bij een altaar waarop het wapen van Amsterdam; hij wordt door putto met een lauwerkrans bekroond; links drie putti met resp. lier, olielampje en boek waarin de laatste putto schrijft, terwijl hij door de tweede bijgelicht wordt; links boven een hand vanuit wolk met passer en daaromheen ...