Op hun pelgrimstocht trekken de monnikenbroers Ailbertus, Walgerus en Theymo via het Geuldal richting Aken. Aan Adolf graaf van Saffenberg, die ze ontmoeten vlakbij diens jachtslot Rode, verklaren ze: ‘Het klinkt misschien vreemd in de ooren, edele heer, maar we zoeken een droomland. Ergens moet een heuvel zijn, hart en midden van een liefelijk landschap, ...